Door Manou Doutrepont

Veel stakingen treffen mensen en ondernemingen die niet aan de tafel zitten om een oplossing te zoeken. Het is daarom een democratie waardig dat die mensen wel aan tafel zitten om het kader van de stakingen te tekenen.

Het is een feit dat veel stakingen gevolgen hebben voor partijen die niet betrokken zijn bij een staking. Telkens stelt zich dan de vraag of het belang van de werknemers opweegt tegen de belangen van pendelaars, gebruikers van de openbare weg of vakantiegangers. De televisiebeelden over de staking van de werknemers van Aviapartners spreken boekdelen. Dat is ook het geval van interprofessionele acties (NB de helft van het aantal geregistreerde stakingsdagen in ons land) en van de frequente stakingen in het openbaar vervoer. Het wordt nog erger als de actievoerders om tactische redenen kiezen om onaangekondigd op spitsmomenten te staken. Telkens stellen talrijke burgers de legitimiteit van de actie in vraag. Telkens botst de vraag naar solidariteit met het eigenbelang van de “slachtoffers”. Staken OK, “but not in my backyard”.

Dit is meteen de eerste reden waarom het parlement werk zou moeten maken van een stakingswet. Het is een exclusieve materie voor de sociale partners, zo heet het. Geen pottenkijkers. Pech voor de burger die schade lijdt. Elk wetgevend initiatief werd tot nu toe vakkundig in de kiem gesmoord in naam van de autonomie van het sociaal overleg. Maar men mag dit maatschappelijk probleem niet overlaten aan de sociale partners alleen, zelfs al zijn ze de meest betrokken partij. Zoals men in andere dossiers pleit voor erkenning van de rechten van minderheidsgroepen, zo mag men inspraak geven aan de burgers die rekenen op een vlot verkeer en gewaarborgd openbaar vervoer in al zijn vormen. Elke democraat moet toch het vertrouwen kunnen geven aan de parlementaire meerderheid die in respectvol overleg gaat met de sociale partners. Vanaf het begin zouden de besprekingen plaats moeten vinden in een tripartiet overleg.

De tweede reden om werk te maken van een stakingswet vindt zijn oorsprong in de internationale verdragen. Die beschermen stakers tegen ontslag en schadevergoeding. Dat principe is verworven. Dezelfde internationale rechtsbronnen bepalen ook dat de overheid de contouren van het stakingsrecht mag bepalen. Dat heeft onze wetgever nagelaten. Het internationaal recht is dus maar deels uitgevoerd.

De wetgever heeft het stakingsrecht niet in handen genomen en overgelaten aan rechtspraak en rechtsleer die refereren naar het internationaal recht. De sociale partners slagen er ook niet in orde in de keet te scheppen. M.a.w. de wetgever en sociale partners hebben het stakingsrecht uitbesteed aan internationale decisionmakers en aan de rechters.

Ten derde biedt een stakingswet de kans om bepaalde scheefgegroeide situaties recht te trekken te regelen.

Om te beginnen zou het de gelegenheid zijn om de oorspronkelijke afspraken tussen sociale partners betreffende de uitoefening van het stakingsrecht te restaureren. Zowat alle paritaire comités hebben in de jaren ’70 een cao gesloten om het initiatiefrecht tot staken in handen te leggen van de vakbonden. Dit recht werd in evenwicht gehouden door een verplichte aanzeggingsprocedure nadat een verzoening op niets is gelopen. Die procedure sterkt ons imago van land dat conflicten weet op te lossen. Maar die procedure is door de disruptieve uitspraak van het Hof van Cassatie in de jaren tachtig niet afdwingbaar. Het Hof stelde in het arrest De Bruyne dat de aanzeggingsprocedure enkel van toepassing is op vakbonden, niet op de werknemers. Hierdoor is het stakingsrecht een individueel recht geworden zonder voorwaarden om collectief het werk neer te leggen om druk uit te oefenen op werkgevers. De vakbonden hebben het exclusief initiatiefrecht om te staken verloren. Eigenlijk mogen we spreken van een liberaal stakingsrecht zoals men het maar in weinig andere landen vindt. Alleen een wet kan de oorspronkelijke bedoeling van de sociale partners in de glorietijd van het sociaal overleg herstellen en doen naleven. Dat biedt de kans om, net zoals in andere democratische landen, een rechtsgrond te scheppen om de conventionele procedures te doen naleven. Het internationaal stakingsrecht laat dit perfect toe.

Vervolgens verdient het lot van de uitzendkrachten meer aandacht. In geval van staking geldt een verbod van tewerkstelling van uitzendkrachten. De letterlijke lectuur van dat verbod in cao nummer 108 geeft aanleiding tot de absurde interpretatie dat interimwerknemers nooit de vrijheid hebben om niet te staken, zelfs niet als de groep stakers kleiner is dan het aantal uitzendkrachten in de onderneming. Er zijn zeker oplossingen te bedenken die eerbied hebben voor het verbod om een staking te breken met uitzendkrachten. Het verbod zou bijvoorbeeld niet gelden voor de uitzendkrachten die voor de stakingsaanzegging reeds in het bedrijf actief waren.

Dit pleidooi voor een stakingswet wil ik nog scherper stellen met een vraag. Is het mogelijk na te denken over de techniek van een class action om vakbonden toe te laten op te komen voor de rechten van de werknemers zoals ze geschreven zijn in wetten en cao’s? De cruciale vraag is vervolgens wie het initiatiefrecht heeft: enkel de vakbonden of de werknemers voor zover ze een groep vormen? In dat laatste geval zouden de initiatiefnemers allicht beschermd moeten worden tegen een ontslag dat alleen gebaseerd is op het misnoegen van de werkgever omdat hij gedagvaard wordt. Stel dat de wetgever dit mogelijk maakt, dan zouden de werknemers zich niet verplicht zien het stakingswapen te hanteren om hun rechten af te dwingen. Een escalatie van sociale conflicten als het om afdwingen van rechten gaat kan dus afgeblokt worden door een tussenkomst van de rechter zonder dat de werknemers geld verliezen omdat ze geen loon krijgen voor de stakingsdagen. Stakingen zoals we nu gekend hebben bij Ryanair en Aviapartners die draaien rond het eerbiedigen van het arbeidsrecht en naleven van verbintenissen zouden overbodig worden. Er komt hier nog veel zaken bij kijken, zoals de termijnen, de rolverdeling tussen inspectie, openbaar ministerie en rechter, de mogelijkheid van een spoedprocedure op tegenspraak en van voorlopige maatregelen, … Dit betekent in geen geval een wettelijke inperking van het stakingsrecht. Alleen de sociale partners hebben de vrijheid om een class action al dan niet een plaats te geven in de aanzeggingsprocedure voor een staking.

Dit is een oproep geïnspireerd door een verwondering. Internationale vergelijkingen m.b.t. de frequentie van stakingen plaatsen België altijd aan de top. Maar we moeten andere landen met minder stakingen voor ons laten gaan wat betreft de socio-economische performantie van het sociaal overleg. Dat verdient een open maatschappelijk debat over de staking als ultiem wapen. Niemand anders dan de wetgever kan beter definiëren wat men hieronder moet verstaan.

 (dit stuk is een bijgewerkte versie van de opinie verschenen in De Tijd van 31 oktober 2018)

 

zie ook De Standaard van 7 november 2018.