Door Manou Doutrepont

In een opiniestuk van 17 juni beweert een indrukwekkend aantal professoren, ambtenaren, politici en vakbondsleiders o.l.v. Jan Buelens dat het wetsvoorstel omtrent de minimale dienstverlening bij de NMBS een aanslag op het stakingsrecht is. Reageren tegen zo’n geweld houdt risico’ in. Toch zal ik proberen a.h.v. enkele vragen en beweringen de voorgestelde vanzelfsprekendheid van hun redenering in twijfel te trekken, als uitnodiging tot een open dialoog.

Het voorstel van de Regering is in wezen, los van juridische redeneringen, een antwoord op een maatschappelijk probleem, m.n. het conflict tussen de belangen van de stakers (stakingsvrijheid) en de belangen derden (m.n. de reizigers).

Het lijkt een zero-sum verhaal te zijn. Het voordeel van de ene gaat ten koste van het nadeel van de andere. Een win-win is niet mogelijk.

Een echt democratisch debat begint dus met de vraag: wat primeert?

Het antwoord is niet eenvoudig. Je hoeft geen jurist te zijn om in te zien dat een staking voor het algemeen stemrecht niet te vergelijken is met een staking van een groep stakers voor de bescherming van privilegies. Een staking tegen kinderarbeid is iets anders dan een staking voor een extra vakantiedag voor een beperkte groep. Een staking die een haven plat legt bekeken wij anders dan een staking van scenarioschrijvers. M.a.w. een debat over stakingen vergt nuances.

We moeten dus de eerste vraag vervangen door: in welke omstandigheden laat men het belang van de ene primeren op het belang van de andere? Wanneer kan de uitoefening van het recht van de ene beperkt worden om het recht van de andere veilig te stellen? Wanneer is een staking rechtmatig en wanneer is die onrechtmatig?

Het internationaal recht geeft geen antwoord op de vraag, maar stelt wel dat een wet of een cao de uitoefening van het stakingsrecht kan omkaderen. M.a.w. het internationaal recht laat toe dat de wetgever of de sociale partners stakingsrecht beperken. Het principe van de stakingsvrijheid staat dus een debat over de modaliteiten ervan niet in de weg. Het wordt tijd dat dit debat plaats vindt.

Ons land kent een liberaal stakingsrecht dat beschermd is door (a) de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid van de vakbonden, (b)een algemeen verbod van tewerkstelling van uitzendarbeid en (c) gelijkstelling van stakingsdagen met arbeidsdagen. Het is een stakingsrecht zonder beperkingen. Het is eigenlijk meer dan een recht, want rechten, zoals geschreven staat in de Internationale, gaan gepaard met plichten. Het is dus een vrijheid. Dit is meer dan een woordspeling.

In veel democratische landen heeft men het stakingsrecht omkaderd a.h.v. juridische technieken zoals het proportionaliteitsbeginsel, de controle op de geoorloofde doelstellingen, een afdwingbare beslissingsprocedure om te staken, de beperking van staking tot materies die in een cao kunnen besproken worden, het verbod van staking voor bepaalde beroepen, opvordering van stakers om vitale activiteiten van een land te waarborgen, . Buiten de mogelijkheid tot opvordering niets daarvan in België.

Het is in dit breed kader dat men het voorstel van de Regering moet bekijken. Eigenlijk heeft het niets meer te maken met de minimale dienstverlening, maar wel met de stakingsprocedure. Dat moet kunnen.

Tot nu toe laat de stakingsvrijheid in België in principe toe te staken zonder naleving van een procedure. Het recht verbiedt om stakers te sanctioneren omwille van een staking. Maar kan men terecht uit dit principe afleiden dat een wet, een cao en een arbeidsreglement de naleving van de stakingsprocedure niet kan afdwingen met sancties (los van de vraag of dit opportuun is of niet)? Dat was nochtans de achterliggende idee van de sociale partners. In artikel 26 van cao nummer 5, de moedertekst van het statuut van de vakbondsafvaardiging, kwamen zij overeen dat de sectoren een stakingsprocedure zouden vastleggen. Wat voor zin heeft het een regel uit te werken zonder sanctie?

Het wetsontwerp voorziet in een originele procedure. De vakbond moet de staking 8 dagen op voorhand aanzeggen en de werknemer moet 4 dagen op voorhand kleur bekennen: zal hij/zij staken of niet? Het is een voorwaarde die het verrassingseffect van een staking neutraliseert en de kans geeft aan de werkgever, in casu de NMBS, om de schade te beperken. Is dit een voorwaarde die het principe van het stakingsrecht bedreigt? Alles draait rond deze vraag.

Volgens sommigen wel. Het geeft volgens hen de kans aan de werkgever en zijn leidinggevenden om druk uit te oefenen op de werknemers. Het argument is interessant, want wat doen we dan met de druk van de vakbonden op de werknemers om te staken, bv. door een piket te organiseren? Maar los daarvan kan je geen staking inbeelden zonder communicatie en beïnvloeding door alle betrokken partijen: vakbonden, werkgever, stakers, werkwilligen en zelfs de publieke opinie. Het hoort erbij.

Een tweede kritiek van dezelfde mensen op het voorstel van de regering slaat op het zinnetje “het gebruik van de werkmiddelen en de infrastructuur niet beperken”. Het verbod zou op iedere vorm van actie worden toegepast, zelfs een betaalstaking kan in dit scenario niet meer. Dat verbod is o.i. evident.

Hier lijkt het belangrijk de definitie van het stakingsrecht op te frissen. Het stakingsrecht is een rechtmatige vorm van collectieve actie die bestaat in het tijdelijk neerleggen van het werk en het organiseren van een vreedzaam piket om zodoende schade te berokkenen met het oog op druk op de werkgever in het kader van onderhandelingen. Staken is een tijd lang stoppen met werken of het werk onderbreken. M.a.w. het is staken of correct de arbeidsovereenkomst uitvoeren. Het is binair. Beweren dat een beetje staken kan door een deel van de taak niet uit te voeren, zoals de betaalstaking, is zoals zeggen dat men een beetje zwanger kan zijn.

Wie beweert dat andere vormen van collectieve acties zoals de langzaamaanacties of parelstakingen tot het stakingsrecht behoren verwart staking met werkweigering. Hij speelt met vuur, want dit kan het lont aansteken voor meer gebruik van lock-out door werkgevers.

De dialoog over de manier van ruzie maken is met deze woorden niet beëindigd. De dialoog over het stakingsrecht wordt met de dag boeiender. Dissenting opinions are useful even if theyre wrong. (Adam Grant in Originals). Het is te hopen dat het parlementair debat over het stakingsrecht rijker zal zijn dan een ideologische pingpong, dat het sereen kan verlopen. Idealiter in samenspraak met de sociale partners. De sociale partners zijn de eerste betrokkenen en de volksvertegenwoordigers behartigen in dit debat de belangen van derden die getroffen worden door een staking. Het tripartite gesprek lijkt niet mogelijk te zijn. De stilte van de sociale partners, ondanks de formele intentie om het stakingsrecht te bespreken, geeft de kans aan de politiek om zijn initiatieven te rechtvaardigen. Met grote risico’s. Een staking om het onbeperkt stakingsrecht of de stakingsvrijheid te verdedigen kan iedereen missen.

 (19 juni 2017)

 

P.S. 1 juli 2017. Ook de Raad van State heeft bedenkingen over het Regeringsvoorstel. Ook meer praktische zaken komen aan bod in het advies. Zo bijvoorbeeld de volgende vraag. Kan een werknemer die 4 dagen op voorhand zegt te staken zijn beslissing herzien? We kunnen nog andere vragen meegeven. Kan de werknemer zijn beslissing herzien tijdens een staking van meerdere dagen? Kan een werknemer de derde dag voor de staking meegeven dat hij de tweede dag zal staken?

Michel Bovy, een vakbondsman die later dircteur HR-Rail werd, is dan snoeihard over de haalbaarheid van de minimum dienstverlening.

Zo ontstaat een dialectiek tussen principes, afweging van belangen, juridische bezwaren en praktische problemen. Hopelijk leidt dit tot een zinvol compromis en evenwicht.

Ieder mens heeft recht op rust en op vrije tijd, inzonderheid op een redelijke beperking van de arbeidsduur en op periodisch betaald verlof.
Universele verklaring van de rechten van de mens op 10 december 1948 - art. 24