Het wordt tijd om verder te denken dan punctuele voorstellen om het sociaal overleg performanter te maken. De vraag is: welk algemeen kader de noodzakelijke voorwaarde kan vormen voor een sociaal overleg dat groei genereert, tewerkstelling aanzwengelt, sociale bescherming dient, meer gelijkheid waarborgt en minder stakingen? Welke recepten kunnen werken? Of moeten we inspiratie zoeken in de sociale geschiedenis?

Moet men de machtspositie van de vakbonden beperken? Zouden de rechtspersoonlijkheid, het beperken van het stakingsrecht, het afschaffen van de syndicale premie en verstaatsing van de werkloosheidskassen aarde aan de dijk brengen?

De rechtspersoonlijkheid om vakbonden aansprakelijk te kunnen stellen voor de schade die ze onrechtmatig aanbrengen is belangrijk maar nu ook niet de essentie. De zichtbare schade t.g.v. stakingen en betogingen is klein in vergelijking met de beslissingen van ondernemingen om niet te investeren. Ons inziens, o.m. gebaseerd op rechtsvergelijking, is de rechtspersoonlijkheid niet de oplossing voor het liberaal stakingsrecht maar moet het parlement een stakingswet stemmen. Maar zelfs een stakingswet kan de economische groei niet wezenlijk beïnvloeden.

Raken aan de instellingen die het ledenaantal van de vakbonden beïnvloeden, zoals de werkloosheidskassen en de syndicale premie, is o.i. evenmin essentieel. Representatieve vakbonden zijn een voordeel voor een maatschappij. Ze waarborgen meer gelijkheid. De afkalving van het ledenaantal biedt weinig voordelen. In de Scandinavische landen beheren de vakbonden ook bepaalde sociale zekerheidstakken waardoor ze een nog hogere syndicalisatiegraad kennen. Maar in die landen is het sociaal overleg meer gericht op coöperatie en medeverantwoordelijkheid, minder op conflict.

Waar we meer moeten aan denken is de responsabilisering van de vakbonden voor de macro-economische prestaties. We kunnen op zoek gaan naar goede praktijken in het buitenland, maar de instellingen zijn er zo veel verschillen van de onze dat geen kritisch  ingestelde mens eenvoudige conclusies kan trekken. We kunnen ook kijken naar onze eigen geschiedenis. 60 jaren geleden hebben we een periode van meer dan 15 jaren van samenwerking en wederzijds vertrouwen onder de sociale partners gekend.

Het Belgisch sociaal overleg is gedurende 25 à 30 jaar gekenmerkt geweest door consensus, tussen WO II en de eerste petroleumcrisis. Die was meer gericht op de creatie van meerwaarde en op het algemeen belang. Minder op de (her)verdeling van rijkdom.

Kunnen we werkelijk lessen trekken uit de geschiedenis?

De “gemeenschappelijke verklaring over de produktiviteit” in 1954, hernieuwd in 1959, ondertekend door werkgevers- en werknemersorganisaties is het Belgische symbool van een efficiënte samenwerking tussen sociale partners. Hieronder gaan we na in welke context die samenwerking tot stand kwam en wat die precies inhield.

Begin van de jaren ’50 heerste een “sense of urgency”. De economische toestand baarde iedereen zorgen. De werkloosheid was hoog. Het establishment vreesde het communisme. De decisionmakers waren getekend door de economische crisis van de jaren ’30, door de tweede wereldoorlog en door de dramatische daling van de koopkracht van de werknemers.

Tezelfdertijd was het sociaal overleg getekend door het ontwerp van sociaal pact van 1944. Dat pact beoogde de sociale vrede en loyale samenwerking op basis van de volgende basisbeginselen:

  1. De wederzijdse erkenning van de werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties;
  2. De doelstelling om de levensstandaard van de bevolking te verbeteren dankzij economische groei;
  3. De erkenning dat de economische groei gebaseerd is op de goede gang van zaken van de ondernemingen;
  4. De evenwichtige verdeling van de vruchten van de toenemende productiviteit door de organisatie van het collectief overleg en van de sociale zekerheid;
  5. De keuze van de sectoren als instelling om de vruchten van de productiviteit te verdelen tussen kapitaal en arbeid, tussen winst en loon.

De economische orde op zijn beurt was gestoeld op de onafhankelijkheid van de nationale staten gecombineerd met een internationale monetair systeem om de financiële stromen op mondiaal niveau te beheersen.

Op institutioneel vlak zaten het sociaaleconomisch overleg en de werknemersinspraak in een stroomversnelling. De (voorlopers van de) paritaire comités werden in het leven geroepen in 1945, werkgevers en vakbonden legden het statuut van de vakbondsafvaardiging vast (1947), de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de ondernemingsraden zagen het licht in 1948, de Nationale Arbeidsraad in 1952.

In die context groeide de consensus dat de Belgische industrie nood had aan een ernstige inhaalbeweging van de productiviteit t.o.v. de buitenlandse en vooral de Amerikaanse industrie.

Op basis van die consensus vond een omwenteling plaats onder de vakbonden. De prioriteit werd gelegd op de gezamenlijke inspanningen om de taart te vergroten i.p.v. de taart te verdelen, met als doel dat werknemers uiteindelijk een groter stuk zouden krijgen.

In een “Gemeenschappelijke Verklaring over de Produktiviteit” in 1954 wordt formeel aangegeven gezamenlijk middelen te zoeken ter verhoging van de productiviteit. De vruchten voor de werknemers zijn volledige tewerkstelling en verhoging van de koopkracht. Voor de bevolking voorzag men het voordeel van lagere prijzen.

Deze verklaring hield ook nog de volgende principes in:

  1. Het wederzijds respect: vakbonden erkennen het statuut van de ondernemingen en werkgevers erkennen de waardigheid van de werknemers.
  2. De noodzaak om op interprofessioneel niveau een sociaaleconomisch forum te organiseren;
  3. De erkenning dat financiële zaken, investeringen en arbeidsorganisatie de prerogatieven zijn van de werkgever terwijl over sociale aangelegenheden de werkgever in overleg moet gaan met werknemersvertegenwoordigers;
  4. Een akkoord om het systeem van economische werkloosheid met uitkeringen in het leven te roepen en opleiding voor werknemers te promoten.

Zitten we vandaag in een vergelijkbare situatie om een soortgelijke coalitie tussen werkgevers en vakbonden te ambiëren? Kan de gemeenschappelijke verklaring voer de produktiviteit een baken zijn in de hervormingen die zich opdringen? O.i. inspireert deze verklaring zeker maar verplicht het realisme ons andere wegen te zoeken.

Er zijn zeker gelijkenissen, zoals

  1. De geringe productiviteitsstijging van onze economie.
  2. De trage economische groei.
  3. De te lage werkzaamheidsgraad.
  4. De budgettaire problemen van de overheid.
  5. De thema’s van de toenemende ongelijkheid en onrechtvaardigheid leven.
  6. De politieke situatie verontrust de machtshebbers (In de jaren ’50 was dat het succes van het communisme, in 2016 is dat de verbazingwekkende opgang van rechtse politieke bewegingen.)

Anderzijds, en het kan niet anders, zijn er talrijke verschillen.

  1. De nationale soevereiniteit maakte plaats voor een muntunie waardoor een devaluatie van de munt vervangen moet worden door een interne devaluatie om de concurrentiepositie op peil te houden.
  2. De wereldhandel is veel groter geworden en de internationale concurrentie is zo veel groter. Daarbij zijn de opkomende landen bereid offers te plegen om op hun beurt hun taart te vergroten.
  3. Het geloof in herverdeling van de rijkdom heeft plaats moeten maken voor het inzicht van de nood aan besparing.
  4. De vaste maatschappelijke waarden worden niet zozeer geconfronteerd met sociaaleconomische ideologie maar wel door diversiteit op religieus gebied, klimaatopwarming, geopolitieke verschuivingen en twijfel over vooruitgang.
  5. Het sociaal overleg vertoont op zich tekenen van metaalmoeheid.
  6. De vakbonden vonden in de jaren ‘50 een zeer groot draagvlak van gemeenschappelijke problemen van al hun leden; anno 2016 zijn de belangen meer verdeeld tussen insiders en outsiders.

Tabel: vergelijking van de socio-politieke situatie jaren ’50 en 2017

Jaren ‘50

2017

Lage productiviteit

Lage productiviteitsgroei

Lage economische groei

Lage economische groei

Hoge werkloosheid

Lage werkzaamheidsgraad

Overheidsschuld

Overheidsschuld

Perceptie van onrechtvaardigheid

Perceptie van onrechtvaardigheid

Dreigend communisme

Dreigend polariserend politiek denken

Beperkte wereldeconomie

Alomtegenwoordige wereldeconomie

Primauteit van de idee van herverdeling

Primauteit van budgettair evenwicht

Primauteit van sociale waarden

Concurrentie sociale waarden met diversiteit, ecologie, kleinschaligheid, …

Golf van creatie van sociale instellingen

Metaalmoeheid van het sociaal overleg

Overwicht van gemeenschappelijke belangen van de syndicale achterban

Polarisering van de arbeidsmarkt en verdeeldheid tussen insiders en outsiders.

 

Was deze consensus een pijler voor de economische groei of was de economische groei de steunpilaar voor het akkoord? Het verhinderde in ieder geval niet de stakingen in 1960-61 tegen de eenheidswet.

Hoe effectief was het akkoord op sectoraal niveau en op ondernemingsvlak? Was de productiviteitsverklaring iets dat de ‘hoge heren ‘ als heel belangrijk ervaarden , maar geen effect had op het terrein? In de jaren ‘50 en ’60 in de metaalverwerking bijvoorbeeld was het conflictmodel dominant. De vakbonden organiseerden veel en lange stakingen in ondernemingen , vooral over lonen en wekelijkse arbeidsduur , versnipperde initiatieven en opbod in de industriële provincies.

Het akkoord sneuvelde in ieder geval met de eerste petroleumcrisis. Juist in dat jaar (1974) werden de indexcao’s in de metaal van onbepaalde duur.

Wat kunnen we besluiten?

De sterke punten van de gemeenschappelijke verklaring waren

  1. De “sens of urgency” (de tekst eindigde met de zin: “De toekomst van ons bedrijfsleven, en dus ook van onze eigen levensvoorwaarden, hangt hiervan af.”),
  2. de eenvoud van de boodschap (samen de schouders onder de productiviteit),
  3. de concrete boodschap: “Productiviteit” als thema had de bijzondere kracht dat werknemers en werkgevers op de werkvloer zich verantwoordelijk voelden.
  4. het pragmatisme dat de plaats innam van de ideologie,
  5. de reciprociteit of de idee om de vruchten te delen door hogere lonen, meer winst en meer koopkracht.

Kortom, de sterkte was: eerst een grotere taart bakken, dan voor iedereen een groter stuk.

Het zwak punt was de twijfelachtige reële invloed van woorden op de arbeidsverhoudingen op niveau van de sectoren en de ondernemingen.

 

Manou Doutrepont, 8 december 2016

La performance d'une entreprise repose à la fois sur des relations collectives constructives et sur une réelle attention portée aux salariés en tant que personnes
Accord national interprofessionnel du 19 juin 2013: vers une politique d'amélioration de la qualité de vie au travail et de l'égalité professionnelle.