www.socialedialoog.be - De ene arbeidsmarktstatistiek is de andere niet

Werkloosheidsgraad, jongerenwerkloosheid, werkgelegenheidsgraad, werkzaamheidsgraad, activiteitsgraad, ... Begint het ook te draaien voor uw ogen? Hieronder volgt een toelichting bij arbeidsmarktbegrippen ter verduidelijking bij enkele veelgebruikte termen die verband houden met arbeidsmarktthema’s en wel eens tot verwarring leiden. (door Sonja Teugels)

1. ILO versus administratieve data

De verwarring omtrent de gebruikte terminologie is tweeledig:

Eerst en vooral lijken de begrippen sterk op elkaar: werkloosheid, langdurige werkloosheid, jongerenwerkloosheid, werkgelegenheidsgraad, werkzaamheidsgraad, activiteitsgraad, werkloosheidsgraad e.a.

Daarenboven is er een veelheid aan bronnenmateriaal op diverse niveaus: administratieve data (al dan niet samengevoegd) en enquêtes, van regionaal tot internationaal niveau.

In internationale vergelijkingen is de beschrijving van de arbeidsmarkt gebaseerd op de definities van het ILO (International Labour Office of Internationaal Arbeidsbureau). Volgens het ILO kan de bevolking van een land, regio… worden opgedeeld in drie groepen volgens de aard van hun activiteit gedurende een referentieperiode:

–    Werkenden: alle personen vanaf 15 jaar en ouder die gedurende de referentieweek tenminste 1 uur aan het werk waren tegen vergoeding.

–    Werklozen: zij die geen werk hebben. Dat verschilt met de term werkzoekenden, aangezien dat begrip ook mensen impliceert die werken, maar intussen op zoek zijn naar een andere job. Het gaat hier om alle personen vanaf 15 jaar die gedurende de referentieweek zonder werk waren, dit wil zeggen:

  • niet in loondienst of geen zelfstandige
  • direct beschikbaar zijn voor werk of als zelfstandige
  • werk zoeken en daartoe stappen hebben ondernomen en/of nemen

–    Inactieven :  alle personen die niet economisch actief zijn (huisvrouw, vrijwilliger, student, gepensioneerde voor zover hij geen vergoede activiteit uitoefent)

Zeer verwant aan bovenstaande begrippen zijn de volgende twee termen:

-    Werkgelegenheid: de binnenlandse werkgelegenheid omvat volgens ILO alle personen die minimum 15 jaar oud zijn en die tijdens de referentieperiode minstens 1 uur tewerkgesteld zijn op Belgisch grondgebied, hetzij als loontrekkende (publiek of privaat), hetzij als niet loontrekkende (zelfstandige of helper). Deze werkgelegenheid weerspiegelt de vraag naar arbeidskrachten van een land of regio en houdt dus rekening met de plaats van tewerkstelling, terwijl bij de beroepsbevolking de woonplaats determinerend is. Dit betekent dat grensarbeid mee op rekening komt van de Belgische werkgelegenheid en dus ook de werkgelegenheidsgraad (zie verder).

-    Werkloosheid: verwijst naar de groep die geen werk heeft en werk zoekt. Het gaat dus om mensen die zich op de arbeidsmarkt ter beschikking stellen, zij vormen samen met de werkenden het aanbod. Er is hier een onderscheid afhankelijk van het feit dat de groep is afgebakend volgens ILO-normen of op basis van administratieve gegevens.

Enkele voorbeelden verduidelijken dit:

  • uitkeringsgerechtigden die zich niet langer hoeven ter beschikking te stellen, tellen mee in administratieve gegevens en officiële statistieken van het land maar zijn niet opgenomen in de ILO-normen, omdat ze niet werkzoekend zijn
  • deeltijds werkenden in combinatie met een gedeeltelijke uitkering (in het kader van het gewaarborgd inkomen) komen voor in de RVA-statistieken maar worden door ILO beschouwd als werkenden
  • het PWA-statuut dat een combinatie inhoudt van werkloosheidsuitkering + een beperkte verdienste telt eveneens mee in de officiële statistieken, in tegenstelling tot de ILO-normen

De officiële statistieken geven een gecumuleerd overzicht op jaarbasis terwijl de enquête naar arbeidskrachten volgens ILO-normen een momentweergave is.

2. Arbeidsmarktstatistieken volgens ILO-normen

2.1. Totale bevolking (0-100+)

2.2. Totale bevolking op beroepsactieve leeftijd
In internationale rankings hanteert men als ondergrens 15 jaar (de eerste rij), maar voor nationale of regionale statistieken gebruikt men veeleer de ondergrens van 18 tot en met 64 (de tweede rij).

2.3. Beroepsbevolking
Onder beroepsbevolking wordt het totale aantal personen verstaan dat actief is op de arbeidsmarkt, hetzij als werkende, hetzij als werkzoekende. Het is dus de groep die werkt (werknemer, zelfstandige of ambtenaar) of bereid is te werken. Huisvrouwen, kinderen, gepensioneerden en andere niet-actieve groepen horen hier dus niet bij.

2.4. Aantal werkenden volgens ILO (15-64)

2.5. Aantal werklozen volgens ILO (15-64)

2.6. Activiteitsgraad
De activiteitsgraad geeft weer in welke mate de bevolking beroepsactief is of m.a.w. hoeveel mensen van de totale bevolking op beroepsactieve leeftijd zich aanbieden op de arbeidsmarkt.

2.7. Werkgelegenheidsgraad
De werkgelegenheidsgraad geeft het totale aantal jobs weer (of de werkgelegenheid) t.o.v. de bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar). Het begrip drukt de vraag naar arbeidskrachten uit. Vertaald op gemeentelijk niveau kan dit ertoe leiden dat de werkgelegenheidsgraad van bijvoorbeeld Leuven meer dan 100% bedraagt, aangezien door de pendel van werknemers de werkgelegenheid de eigen bevolking kan overstijgen.

2.8. Werkzaamheidsgraad
De werkzaamheidsgraad geeft het aandeel weer van de tewerkgestelde bevolking met woonplaats op het grondgebied ten opzichte van de totale bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar). Deze maatstaf verwijst naar het aanbod aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt en wordt soms ook aangeduid als de tewerkstellingsgraad.

2.9. Werkloosheidsgraad ILO tegenover RVA
De werkloosheidsgraad geeft de verhouding weer van het aantal niet werkende werkzoekenden tegenover de beroepsbevolking (15-64 jaar).

De discrepantie tussen de Europese vergelijkende statistieken en de eigen binnenlandse administratieve gegevens is opvallend. In de statistieken van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bijvoorbeeld worden er eind 2006 451.000 werkzoekenden geteld (uitkeringsgerechtigde volledige werkzoekenden), beduidend hoger dan de 391.000 werkzoekenden die de Europese Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) telt. Als we de vergelijking maken met de werkloosheidsstatistieken die RVA opgeeft, zien we een verschil dat zo mogelijk nog groter is.
RVA levert eigen gegevens op basis van de betalingen die ze verricht, daarnaast ontvangt zij gegevens van het aantal werkzoekenden via de regionale bemiddelingsdiensten.

3. Woordenwisseling
Een verdere verduidelijking van de begrippen werkgelegenheidsgraad en werkzaamheidsgraad dringt zich eveneens op. Zoals hierboven al werd vermeld, omvat de werkgelegenheidsgraad de tewerkstelling volgens de plaats van creatie en is de werkzaamheidsgraad gebaseerd op de woonplaats van de werkende.
Een ambtenaar die in Antwerpen woont maar in Brussel werkt, wordt dus meegeteld in de werkgelegenheidsgraad van Brussel, maar in de werkzaamheidsgraad van Vlaanderen.

In de regionale rekeningen vinden we de werkgelegenheidsgraad terug, ook voor de regio's. Toch gebruiken we op Vlaams niveau liever de werkzaamheidsgraad. Daar is een zeer specifieke reden voor: stel dat in een groot bedrijf een aanzienlijk aantal Vlamingen worden ontslagen en dat de daardoor vrijgekomen jobs worden ingevuld met werknemers uit Wallonië. De werkgelegenheidsgraad blijft dan op hetzelfde niveau, maar je kan bezwaarlijk stellen dat dit een gunstige evolutie is voor de Vlaamse arbeidsmarkt. De werkzaamheidsgraad geeft vanuit gewestelijk oogpunt dan ook beter de arbeidsmarktsituatie weer.

Er ontstaat overigens een extra onduidelijkheid door de terminologie die gebruikt wordt in de Europese Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), die spreekt over 'employment rate' en daarmee eigenlijk de werkzaamheidsgraad bedoelt.
De term werkzaamheidsgraad wordt consistent gebruikt in Vlaanderen. Het Federaal Planbureau hanteert die term echter niet en houdt zich bij werkgelegenheidsgraad. Voor deze instelling maakt het immers niet uit waar de tewerkstelling wordt gecreëerd want werklozen worden door een federale instelling (RVA) betaald. De enige grens die er voor het Federaal Planbureau toe doet, is de landsgrens van België. In die context is de grensarbeid van belang, maar die blijft vrij beperkt.