De syndicale premie is de gedeeltelijke terugbetaling door de werkgever van het lidgeld data werknemers betalen aan hun vakbond. Wat schuilt er achter deze paradox?

 

Oorsprong

Voordelen alleen voor aangesloten vakbondsleden komen in vele vormen voor. In sommige landen zijn cao’s alleen geldig voor werknemers die aangesloten zijn bij vakbonden. In andere landen kent men het systeem van de “closed shop”, dit wil zeggen dat niemand aangeworven kan worden tenzij hij of zij aangesloten is bij een vakbond. Soms worden niet-aangesloten leden benadeeld door de vakbonden een administratieve taak ten opzichte van werknemers te geven die zij natuurlijk alleen of tegen goedkoper tarief voor hun leden uitvoeren. In landen waar er geen systeem is van individueel voordeel voor gesyndiceerde werknemers ontvangt de vakbond een toelage, betaald door de werkgevers of door de overheid.

Welke redenering ligt aan de grond van dergelijke verschillende benadering van werknemers?

“Om vakbondsleden te belonen voor hun actie en om hun financiële bijdrage te compenseren” zo staat op de website van het ACV. De vakbonden en hun leden zien de vakbondspremie als een compensatie voor het feit dat zij ijveren voor cao-voordelen voor leden en niet-leden..  Het verplicht vakbondslidmaatschap is immers verboden (wet 1921). Zonder nadeel wegens niet-aansluiting zouden werknemers kunnen besluiten om geen lid te worden van een vakbond. In dit opzicht is de syndicale premie in principe een compensatie voor (a) de kost van de gelijke behandeling tussen wel of niet aangesloten werknemers en (b) de risico’s voor minder inkomsten bij staking.

Praktisch gezien is de syndicale premie een belangrijk middel voor lidmaatschap. Het hangt samen met de praktijk van sectoraal overleg en de sociale vrede tijdens de duur van tweejaarlijks overleg. De afstand tussen de vakbond en de werknemers wordt er groter door zodat die het belang van lidmaatschap minder inzien.

Bovendien was het in de jaren ’60 een belangrijk middel voor de binding van de geïmmigreerde werknemers, de zogenoemde “gastarbeiders”, die geen syndicale traditie hadden.

Men kan de vraag stellen of dit geen (positieve) discriminatie is. De anti-discriminatiewet verbiedt de verschillende behandeling van burgers en werknemers o.b.v. hun syndicale overtuigingen. Eigenaardig dat die vraag nog niet is beslecht geweest door een rechtbank.

De syndicale premie  is een belangrijke pijler voor de hoge syndicalisatiegraad in België. De brede basis zou matigend werken. Zonder bestaat het risico dat alleen de “harde lijn” het bestuur van de vakbond over neemt, wat enkele jaren geleden Franse werkgevers deden besluiten dat het Belgisch systeem nog niet zo slecht is.

Terloops merken we op dat het systeem van syndicale premie in de privé sector voorbehouden is tot de ABVV, ACLVB en ACV. Leden van NCK kunnen er geen beroep op doen.

Het is zeker niet het enig kanaal waarmee werkgevers de vakbonden financieren. Zij betalen ook nog de syndicale vorming en financieren soms rechtstreeks ook nog de werking van de centrales. Het geheel moet gezien worden in het licht van de machtsverhoudingen en de financiële noden niet alleen van de centrales maar ook van de federaties in sectoren met lage organisatiegraad van werkgevers.

 

Financiële stromen

De sectorale syndicale premies worden betaald uit een sectoraal fonds voor bestaanszekerheid, ook wel sociaal fonds genoemd. Het gaat als volgt te werk.

De werkgevers betalen krachtens een cao een bijdrage aan het sociaal fonds. In de ene sector betalen de werkgevers in functie van het totaal aantal tewerkgestelde werknemers, in de andere in functie van het aantal reëel aangesloten leden. In enkele sectoren gebeurt deze operatie onder controle van een bedrijfsrevisor om misbruiken te voorkomen.

Vervolgens stort het fonds een bedrag aan de vakbondscentrale die op zijn beurt de premie aan zijn leden betaalt.

Wanneer de syndicale premie geregeld wordt door een ondernemingsakkoord betaalt de werkgever een bedrag aan de vakbonden.

Het is dus niet zo dat de werkgever een individuele werknemer kan ontraden van dat recht gebruik te maken.

 

Sociale vrede

Sommige paritaire comités koppelen de vakbondspremie aan de naleving van de clausule van sociale vrede. Dat gebeurt in de praktijk zelden, waardoor een deel van de functie van de vakbondspremie komt te vervallen.



Geschiedenis

De eerste cao met voordelen voor vakbondsleden is die van de cementindustrie in 1954. In 1960 volgt de gas- en elektriciteitssector met een syndicale premie.
Voordelen uitsluitend voor georganiseerde werknemers stond in 1960 op de agenda van de vakbonden tijdens de onderhandelingen van het eerste “nationaal akkoord voor interprofessionele sociale programmatie”. Het ACV dat meer voorstander was voor sectoraal overleg dan het ABVV, trad er het eerst mee naar buiten. Het botste op de onwil van de werkgevers.

Het thema verhuisde daarmee naar de onderhandelingen op ondernemingsvlak en naar het sectoraal overleg. De havensector sloot dergelijk akkoord in 1961. In 1962 moesten de werkgevers van de scheikundige industrie na een lange strijd toegeven. Vervolgens de mijnen en de textiel. In 1965 sluiten Fabrimetal en de bonden een akkoord met daarin een bijdrage van 0,5% van de loonsom bestemd voor een intersyndicaal fonds. Halfweg de jaren ’60 hebben de meeste sectoren zo een stelsel van syndicale premie met al dan niet sterke band met de naleving van de sociale vrede.

De syndicale premie is nog altijd een kernthema van sectorale onderhandelingen. Zo zijn er in jaren 2011 en 2012 nog 40 sectoren die de syndicale premie verhoogden.

Een belangrijke sector zonder akkoord over dit item is het ANPCB. Als de paritaire comités van arbeiders en bedienden ooit zullen fusioneren zal dit voor pittige discussies zorgen.

Sommige ondernemingen kennen een syndicale premie toe ter aanvulling van de sectorale syndicale premie, hetzij omdat er geen is hetzij omdat de sectorale premie lager ligt dan het wettelijk maximum.

 

Vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen

De syndicale premie wordt vrijgesteld ten belope van ten hoogste 135,00 euro per jaar en per begunstigde van sociale zekerheidsbijdragen voor werknemers en voor werkgevers.

Deze grens is voorwerp van onderhandelingen tussen de sociale partners. Oorspronkelijk gebeurde dat in het Beheerscomité van de RSZ. De Regering voerde dit akkoord uit en vaardigde de nodige koninklijke besluiten uit.

De vrijgestelde bedragen evolueerden de laatste jaren als volgt: 

  • 86,76 euro vóór 1 juli 1997;
  • 104,12 euro van 1 juli 1997 tot 31 december 1998;
  • 111,55 euro van 1 januari 1999 tot 31 december 1999;
  • 116,51 euro van 1 januari 2000 tot 31 december 2000;
  • 123,95 euro van 1 januari 2001 tot 31 december 2003;
  • 128,00 euro van 1 januari 2004 tot 31 december 2007;
  • 135,00 euro vanaf 1 januari 2008;

Ten opzichte van een brutoloon van 2.600 euro per maand bedraagt de jaarlijkse tussenkomst van de werkgever in het lidmaatschap ongeveer 0,40%.

Het lidgeld voor een voltijdse werknemer bedraagt ongeveer 180 euro per jaar. De vrijgestelde grens van de syndicale premie bedraagt dus 75%.

De sociale gesprekspartners waren het in de Groep van Tien eens geworden om die grens te koppelen aan het sluiten van een interprofessioneel akkkoord. Dat betekende concreet een verhoging tot 145 euro per 1 januari 2017. Zo zou deze stijging min of meer overeen komen met de stijging van de index der conventionele lonen van de FOD WASO[1] . Tot op het ogenblik van de redactie van dit artikel (30 april 2018) was er geen zekerheid dat de Regering  dit akkoord zal omzetten in de nodige besluiten.

 

Fiscaal regime

Voor de werkgever is de syndicale premie aftrekbaar als bedrijfsuitgave.

De syndicale premie wordt niet belast ten belope vanhetzelfde maximumbedrag voor de werknemer die in zijn fiscale aangifte beroep doet op de forfaitaire beroepskosten. In het voorjaar van 2018 is dat voorwerp van politieke discussie.

De syndicale premie wordt wel belast voor de werknemer die zijn beroepsuitgaven bewijst. Het komt er dus op neer het lidgeld aan te geven dat verminderd is met de syndicale premie.

 

Financiering van de vakbonden

De syndicale premie is een voordeel voor werknemers die zich aansluiten bij een vakbond.

Om volledig te zijn moeten we ook nog aanmerken dat de militanten die een syndicale vorming volgen hun loon gewoon verder betaald zien.

Het lidgeld is veruit de belangrijkste financieringsbron voor de vakbonden. De tweede grootste bron van inkomsten bestaat uit de vergoeding die de syndicale werkloosheidskassen krijgen voor de administratiekosten voor de uitkering van de werkloosheidsvergoeding.

Daarnaast zijn er nog  vormen van rechtstreekse financiering van de vakbonden. In menige sectorale sociale fondsen hebben de sociale partners dotaties uitgewerkt voor de centrales en voor de federaties.

Vakbonden krijgen ook kleinere overheidssubsidies voor concrete projecten.

Vakbonden in België moeten geen jaarrekeningen publiceren.

 



Bronnen



[1] Dit indexcijfer houdt rekening met drie factoren:

  • de aanpassingen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, volgens de binnen het paritair comité gebruikelijke werkwijze
  • de conventionele verhogingen, zoals die bij CAO werden vastgelegd
  • de invloed van de vermindering van de arbeidsduur

Actoren sociaal overleg

“Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat.”
Deense natuurkundige en filosoof Niels Bohr