Door Manou Doutrepont en Paul Soete

De vaststelling dat de loonkostenhandicap weggewerkt is geeft aanleiding tot uitspraken die gespeend zijn van de lessen uit de geschiedenis.. Die leren ons dat loonkostenevolutie, automatische indexering, barema’s, gelaagd sociaal overleg en overheidstussenkomst één systeem vormen. Je kan er niet één element uithalen zonder de rest in vraag te stellen.

 

"In globo is het concurrentievermogen hersteld." Nog beter, in 2018 zouden de Belgische loonkosten 1% lager zijn dan het gemiddelde van de drie buurlanden. Zo becijferde het secretariaat van de Centrale Raad van he Bedrijfsleven, het discreet economisch kenniscentrum van de sociale partners. Prompt zien we drie reacties. De werkgeversorganisaties trekken de aandacht op de absolute of historische loonkostenhandicap die nog altijd rond de 10% schommelt, of zelfs meer voor de exporterende sectoren. De vakbonden beweren al dat er ruimte is voor nieuwe loonsverhogingen en hekelen de loonnormwet die de marge toch zou beperken. Voor sommige opiniemakers is de tijd aangebroken om komaf te maken van de centrale loonvorming en te pleiten voor ondernemingsoverleg. Voorbode, niet van de electorale campagne maar van de onderhandelingscampage eind dit jaar.

Wij menen dat de tijd aangebroken is om het globaal plaatje van de loonvorming terug in de schijnwerpers te plaatsen.

De loonnormwet, die op centraal niveau de marge bepaalt om op sectoraal vlak en ondernemingsniveau loonsverhogingen te onderhandelen, is een sluitstuk van een complex systeem.

De grondlaag van dit systeem bestaat uit twee automatismen: een uniek automatische indexering en uitgebreide barema’s, hoofdzakelijk voor bedienden. Beide technieken vinden hun oorsprong in sectorale cao’s, maar ze worden door de wet gewaarborgd. Het contrast met andere landen kan niet groter. De aanpassing van de lonen aan de levensduurte is er voorwerp van onderhandelingen.

Komt daarbij dat de lonen op meer dan één niveau onderhandeld worden. Eerst wordt de interprofessionele vrede betaald met nieuwe voordelen. Dan volgen sectorale akkoorden. In vele grotere ondernemingen sluit men de cirkel met bedrijfsakkoorden.

In 2013 kwam er nog een supplementaire rigiditeit bij, m.n. de verplichte harmonisering van de aanvullende pensioenen voor arbeiders en bedienden tegen 2025.

Elk mechanisme neemt ruimte in, terwijl in andere landen het geheel onderhandeld wordt op 1 niveau zonder onderliggende automatisme.

Noem het volledig systeem gerust een lasagnemodel (spreken van een millefeuille zou overdreven zijn). Dat model zorgde ervoor dat al 40 jaar wettelijke mechanismen nodig zijn om de loonkosten onder bedwang gehouden. In de zeldzame periodes van onderhandelingsvrijheid (voor 1980 en tijdens de jaren 87 tot 93) ontspoorden de loonkosten vrij snel. De prijs was hoog. De tewerkstelling in de privé sector zorgde (en zorgt) voor kopzorgen. Telkens moest de overheid tussenkomen met curatieve maatregelen. De inventaris is opmerkelijk: devaluatie, loonstop, indexeringsvertragingen, indexeringssprongen, forfaitaire indexering, gezondheidsindex en loonlastenverlaging.

Tot de Regering Dehaene I in 1996 de loonnormwet instelde om preventief de concurrentiekracht en ter afgeleide de tewerkstelling te vrijwaren. Het systeem bepaalt de ruimte voor onderhandelingen boven de indexering en de baremieke verhogingen. Het maximum wordt vastgelegd in functie van de verwachte loonkostenevolutie in Duitsland, Frankrijk en Nederland, onze belangrijkste concurrenten en handelspartners. Zo bekeken bepalen de drie buurlanden in onderaanneming de loonvorming in België.

In de periode 1996-2005 heeft het systeem vrij goed gewerkt.

Daarna ontspoorden de loonkosten gedurende 5 à 6 jaar tot 4,3% boven het niveau van 1996. De ervaring leerde dat de loonnormwet I (1996) op zich de loonkostenevolutie niet kon beheersen. De techniek van de interprofessionele onderhandelingsmarge faalde want die is gebaseerd op twee voorspellingen voor de twee komende jaren: (a) de waarschijnlijke loonkostenevolutie in de drie buurlanden en (b) de waarschijnlijke binnenlandse inflatie van de komende twee jaren. (a) – (b) geeft aan wat de marge is voor loononderhandelingen. Nu, het is geweten dat economische voorspellingen alleen per toeval uitkomen. Systematisch werd (a) overschat en (b) onderschat. Resultaat? Te hoge marges en ontsporing.

Het koste even veel tijd om de situatie te normaliseren via loonstop, blokkering van de indexering en loonlastenverlaging. Om dergelijke correcties in de toekomst te vermijden was een loonnormwet II (2016) nodig om de vijzen van het loonoverleg aan te spannen door ingewikkelde wiskundige formules. Van onderhandelingsvrijheid over de norm zelf is geen sprake meer. Zo is België het land met de sterkste centralisatie van de loonvorming.

Grafiek: Index van centralisatie van de loononderhandelingen

(Bron: http://bruegel.org/wp-content/uploads/2016/07/pc_2016_11-2.pdf)

centralisatiegraad

Velen vergeten ook de opwaartse kracht van een interprofessionele loonnorm. De norm zou moeten werken als een gemiddelde. Maar achteraf ziet men dat 90% van de sectoren de loonnorm voor 100% opgebruiken. Dat betekent dat de zwakkere sectoren en ondernemingen naar lucht moeten happen terwijl de norm vrij comfortabel is voor performante sectoren en ondernemingen . Een omgekeerde solidariteit die onze economie sneller doet evolueren naar minder arbeidsintensieve bedrijvigheden. Na afsluiten van de sectorale akkoorden komen de sterke ondernemingen nog eens onder druk van vakbonden die pogen om nog bijkomende voordelen in de wacht te slepen. Soms slagen ze daar ook in.

En we zouden niet in België zijn als er geen achterpoortjes waren zoals het gedoogbeleid t.o.v. de collectieve eenmalige premies (cao nummer 90). Met het zomerakkoord (2017) heeft de Regering bovendien een grotere poort geopend door een nieuw systeem van deelname in de winst wettelijk buiten de norm te plaatsen.

Hieronder wagen we ons aan een poging om onze volledige loonlasagne in beeld te brengen.

Figuur: de Belgische loonlasagne

loonlasagne

 

We besluiten met de vaststelling dat de loonvorming een complex kaartenhuisje is. Wie er één kaart eruit wil trekken moet kunnen waarborgen dat het geheel niet instort. Wie loonsverhogingen wil onderhandelen moet kunnen borg staan voor tewerkstelling in de ondernemingen waar de lonen verhoogd worden. Wie het interprofessioneel niveau wil uitschakelen moet de verantwoordelijkheid nemen voor toenemende werkloosheid. Wie de sectorale onderhandelingen in vraag stelt moet de confrontatie aangaan met de werkgevers met de boodschap dat ze voorbereid moeten zijn op meer conflicten op ondernemingsvlak. In alle gevallen is de tewerkstelling de norm en zijn de afschaffing van de automatische indexering en de herziening van de barema’s de sleutels om een einde te stellen aan een debat dat al 50 jaar oud is. Maar dan moet men ook het risico van zware sociale onvrede willen nemen.

Noot 1: deze tekst  is een meer uitgewerkte versie van de opinie die verscheen in De Tijd op 27 januari  2018 onder de titel ‘ Sleutelen aan loonnorm is een heikele klus’

Noot 2: Eenzelfde analyse met een andere conclusie is deze van Marc Devos dat op 30 januari 2018 verscheen in Knack. Onder de titel  "de loonkostenhandicap is halfdood maar de overleghandicap is springlevend" pleit hij  kort door de bocht voor decentralisering.

Werkbaar werk kan je niet afdwingen bij KB of decreet. Er is nood aan een vernieuwde sociale dialoog, over het anders en innovatief organiseren.
Mieke Van Gramberen (De Tijd 5 juni 2015)