Het generatiepact sanctioneerde ondernemingen die behoren tot sectoren zonder cao met bijkomende opleidingsinspanningen en legde hen een werkgeversbijdrage van 0,05% op. De sanctie gold ook voor ondernemingen van een sector zonder cao maar die zelf vormingsinspanningen levert. Voor het Grondwettelijk Hof is dit ongeoorloofd.

De sanctie is verschuldigd als volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
(1)    op interprofessioneel vlak bedragen de  opleidingsinspanningen minder dan 1,9 % van de totale loonmassa.
(2)    In de sector heeft is geen collectieve arbeidsovereenkomst inzake bijkomende opleidingsinspanningen van kracht is die jaarlijks de inspanning met 0,1 % verhoogt of die voorziet in een jaarlijkse toename van de participatiegraad aan vorming en opleiding met minstens 5 %”.

Die regeling had echter een tegenstrijdig effect. Enerzijds werden de ondernemingen die individueel wel voldoende opleidingsinspanningen leveren, maar behoren tot een sector die onvoldoende opleidingsinspanningen levert (en geen cao heeft afgesloten in dat verband), gesanctioneerd. Anderzijds werden ondernemingen die individueel onvoldoende opleidingsinspanningen leveren, maar tot een sector behoren die wel in orde is, niet met een bijdrageverhoging gestraft.

Volgens het Hof doorstaat de regeling echter de proportionaliteitstoets niet.

Dit betekent dat de sanctie niet van toepassing kan zijn in 2 gevallen. Eerst en vooral wanneer de onderneming is ondergebracht in een sector die een cao gesloten heeft met bijkomende vormingsinspanningen. Is dat niet het geval dan gaat de onderneming vrij uit als die kan bewijzen dat ze autonoom voldoende inspanningen geleverd heeft.

Het is het zo veelste bewijs van de toenemende rol van de rechterlijke macht in de collectieve arbeidsverhoudingen. De ene noemt dat de juridisering van het sociaal overleg. Wij verkiezen te spreken van rechtszekerheid van bepaalde principes zoals gelijkheid en proportionaliteit.

Bron: Nieuwsbrief Instituut voor Arbeidsrecht.

La performance d'une entreprise repose à la fois sur des relations collectives constructives et sur une réelle attention portée aux salariés en tant que personnes
Accord national interprofessionnel du 19 juin 2013: vers une politique d'amélioration de la qualité de vie au travail et de l'égalité professionnelle.