www.socialedialoog.be - Gelijk speelveld

Hoog tijd dat ook de wetgevers en sociale partners een versnelling hoger schakelen om het juiste kader te scheppen voor het nieuwe technologische geweld. Inzet is een gelijk speelveld tussen de deel- en de reguliere economie. Men zal zich ook moeten voorbereiden op de aanpassing van juridische statuten van werknemer en zelfstandige die we nu kennen.

De rel rond de online taxidienst Uber of de perikelen over privacy bij Facebook en Google zijn nog maar het topje van de ijsberg. Nieuwe technologie creëert nieuwe diensten, omgangsvormen, werknemersrelaties… waar de traditionele wetgeving nog niet goed raad mee weet. Dat is ook niet zo verwonderlijk. De wetgever, en zeker die in België, werkt traag. Het wetgevend proces kan de snel veranderende technologie-omgeving niet echt volgen.

Toch zal dat moeten veranderen omdat technologie de maatschappij steeds meer voor dilemma’s zal zetten, zowel de nieuwe als de oude structuren.  Dat gaat dan over aansprakelijkheid bij ongevallen met zelfrijdende wagens over privacy bij sociale netwerken tot de grijze zone waarin deelplatformen vaak opereren.

Vooral dat laatste wordt voor de reguliere economie een belangrijk item. Er dreigt immers een grote kloof te ontstaan tussen enerzijds bedrijven in de gevestigde sectoren die aan zware reguleringen en fiscaliteit moeten beantwoorden en nieuwe bedrijven uit de deeleconomie die dat niet hoeven te doen. De kwestie zal prangender worden naarmate deelplatformen het stadium van hobbyisme overstijgen.

Enkele voorbeelden.  Via bepaalde deelplatformen kan je maaltijden delen. Handig voor wie graag kookt en met weinig moeite enkele porties extra wil bereiden en eveneens handig voor wie niet graag kookt of weinig tijd heeft.  Zolang dat kleinschalig blijft, is er geen probleem. Maar waar trek je de grens? Vanaf wanneer ben je eigenlijk een alternatieve traiteur die niet onder de strenge regels van voedselveiligheid valt of zware lasten moet betalen op personeel?

Of wat met het verhuren van gastenkamers aan toeristen? Zolang dat dit sporadisch de logeerkamer is, is dat een sympathieke bijverdienste. Maar wat als je een volledig huis in een aantrekkelijke binnenstad opkoopt en alle kamers quasi constant verhuurt? Ben je dan geen deloyale concurrent van reguliere hotels? Want die moeten wel aan allerlei wetgeving voldoen gaande van brandveiligheid tot 24/24 personeelsaanwezigheid. Laat staan dat deze verdoken hotels ook een vergunning nodig hebben van een stadsbestuur. Vergunnigen waarmee dat bestuur inplant waar het wel of niet hotels wenst.

Hetzelfde geldt ook wanneer je arbeid gaat ruilen via deelplatformen. Ik kan goed schilderen en jij kan goed aan computers werken en dus gaan we wat arbeidstijd ruilen. Handig en het spaart heel wat geld uit. De winst is natuurlijk dat je geen belastingen op die arbeid betaalt, terwijl in de reguliere sector, na afdracht van BTW en sociale lasten, nog geen derde netto van de betaling naar de betaalde klusser vloeit.

Het is daarom belangrijk dat de wetgever naar een gelijk speelveld streeft tussen de deel- en de reguliere economie. En dat geldt in de twee richtingen. Een duidelijk wetgevend en fiscaal kader voor de deelbedrijven en minder regulering en zware lasten voor de anderen.  

De sterkte van een vrijemarkteconomie is net dat er constant creatieve destructie is omdat klantenbehoeftes veranderen en nieuwe technologie die behoeftes invult. Deelplatformen zijn daar een nieuw onderdeel van. Maar laten we het succes van die deelplatformen vooral afhangen van de slimmigheid van het concept en de technologie die erachter steekt, niet van het feit dat regels omzeild kunnen worden waardoor ze goedkoper werken dan degene die in de reguliere economie opereert.

Het is dus cruciaal dat de wetgever waakt over een gelijk speelveld, zodat er op een faire manier aan creatieve destructie wordt gedaan.  En dat geldt trouwens niet alleen voor deeleconomie versus reguliere economie. In een land als België dat een zeer rigide wetgevend kader kent, kunnen we verwachten dat deze tegenstelling enkel nog zal groeien. Denk hier bv aan de concurrentiestrijd tussen de warenhuisketens. De nieuwkomers die met jonge mensen werken zijn duidelijk in het voordeel tegenover degene die al lang actief zijn en met ouder en dus duurder personeel zitten (en anciënniteitsverhogingen die de productiviteit niet gevolgd zijn).  Laat staan als die winkelketens de concurrentie met e-commerce bedrijven uit het buitenland moeten aangaan.

Gezien de snelheid waaraan nieuwe technologie zich ontwikkelt, zal de overheid en de sociale dialoog zich veel sneller moeten aanpassen. Dat begint met het installeren van snellere beslissingsprocessen. En vooral ook met partners die over deze thema’s constructief nadenken; niet vanuit een verkrampte houding tegenover alles wat nieuw is, evenmin vanuit een volledig libertaire houding die alle technologie kritiekloos omarmt.


Stijn Decock | Hoofdeconoom
Voka - Vlaams netwerk van ondernemingen

‘Soms zie ik positieve elementen bij de vakbonden, soms niet. Hun rol is dus niet helemaal negatief. Maar ik erken zeker dat sommige vakbondsleiders de verdediging van hun leden verwarren met de verdediging van de staat, waardoor ze deze verzwakken.’
Franstalige socioloog Alain Eraly (ULB)in De Standaard 12 mei 2016